Het Laatste Oordeel

Last_Judgement_%28Michelangelo%29

De altaarwand van Michelangelo

Het Laatste Oordeel beslaat de gehele altaarwand van de Sixtijnse Kapel. Michelangelo schilderde het tussen 1536 en 1541, een kwart eeuw nadat hij het plafond had voltooid. Alles draait om de centrale figuur van Christus, vastgelegd op het moment vlak voordat hij het vonnis uitspreekt. Zijn opgeheven hand dwingt niet alleen de aandacht af, maar lijkt ook de onrust om hem heen tot bedaren te brengen, waarbij hij een langzame cirkelvormige beweging inzet die elke figuur in dezelfde draaiing meesleept.

Vlak naast hem staat de Maagd Maria, die haar gezicht afwendt. Ze kan niet langer ingrijpen; ze kan alleen maar samen met alle anderen op de uitkomst wachten. In de twee bovenste lunetten dragen vleugelloze engelen de instrumenten van de Passie: het kruis, de spijkers en de doornenkroon aan de ene kant, de zuil, de ladder en de lans aan de andere kant.

Hoe de afbeeldingen te interpreteren

De heiligen verdringen zich rond Christus en de Maagd, waarvan een aantal de voorwerpen vasthoudt waarmee zij de marteldood stierven. Sint-Petrus draagt zijn twee sleutels, Sint-Laurentius zijn rooster, Sint-Catharina van Alexandrië haar spijkerwiel, en Sint-Sebastiaan knielt met een handvol pijlen. Sint-Bartholomeus houdt zijn eigen gevilde huid omhoog, en het verslapte gezicht op die huid wordt doorgaans gezien als een zelfportret van Michelangelo.

Lager op het schilderij blazen engelen op lange trompetten om de doden te wekken. Links keren de opgestane doden terug in hun lichamen en stijgen op naar de hemel; rechts worstelen engelen en duivels om de verdoemden en sleuren hen naar beneden. Helemaal onderaan zwaait Charon met zijn roeispaan om zielen uit zijn boot te drijven, richting Minos, de rechter van de onderwereld, wiens lichaam in een slang is gewikkeld. De hele onderste hoek is duidelijk ontleend aan het ‘Inferno’ uit Dante’s ‘Divine Commedia’.

Het schandaal en de ‘broeken’

Het fresco werd in bijna gelijke mate bewonderd als bekritiseerd. De pauselijke ceremoniemeester Biagio da Cesena klaagde dat zoveel naakte lichamen thuishoorden in 'kachels en tavernes', niet in de kapel van de paus, waarop Michelangelo zijn gezicht op dat van Minos in de hel schilderde. De discussie sleepte zich jarenlang voort.

In 1564 gaf de Congregatie van het Concilie van Trente opdracht om een aantal naakten te bedekken. De taak om de geschilderde draperieën, de zogenaamde braghe, aan te brengen, ging naar Daniele da Volterra, die sindsdien bekendstaat als il Braghettone, de broekenmaker. Zijn werk was slechts het begin; in de daaropvolgende eeuwen werden er nog meer toegevoegd.